Gedicht: de trompet zwijgt


de trompet zwijgt

 terwijl de laatste klanken
 van de oude jazzmuzikant
 met hem wegsterven
 en zich vermengen met de
 naweeën van de oerknal
 schijnt een jonge ster
 het brandpunt van het heelal
 : de dinosaurus wordt afgebeeld
 in grafeen, grafaan, grafiek, graffiti,
 de muziek van Pink Floyd
 en het vuurspuwende
 straatmuzikantenorgeltje
 draaien op volle toeren
 als Herman Brood
 zijn schilderijen te koop aanbiedt
 in het centrum van een buitenwijk
 waar de erfenis van
 mislukte stedenbouw
 de droom van jonge mensen verstoort
 : alsof natuur het begrijpt
 zet zij haar slagtanden in de ladder naar de top
 waar tentoonstellingen de overhand hebben
 op ground zero
 drie bergen
 zeven hemels
 zestien hoven
 worden werkvloeren aangelegd
 waarop het goed toeven is
 als de cyperse kat thuis is
 zich tegoed doet aan
 onverdiende verdiensten
 waartegenover het losse blad
 van gekapte bomen
 afsteekt als
 duister tegen kleurloos
 nuances worden uitvergroot
 tot levensgrote afbeelden
 : op de pampa’s
 klinken liederen van Victor Jara
 gedichten van Pablo Neruda
 Indiaanse stamliederen
 welluidende klinken
 samen met poëzie
 van Spaanse veroveraars
 en Amerikaanse cowboys
 : op de maan is het silhouet
 geheid van Lord Byron
 die gisteren (of was het overmorgen)
 dineerde met de president van Libanon
 die niet weet dat hij dood is
 en daarom bleef klagen
 over alles wat niet gebeurd is
 : in Hyde Park
 verdedigt iemand Snowden en Manning
 en doet wat elke mens
 doet van nature
 groeien bloeien de waarheid schreien
 niet buigen voor domheid macht onwil
 : de loftrompet zwijgt
 om staatsburgers de kans te geven
 zijn stem te beluisteren
 : en zo geschiede in de bijenkorf
 gelijk in de hema

© Jan Bontje juli 2013

Column: Een oneindig muziekstuk


Een oneindig muziekstuk

Ik herinner me van de muzieklessen op de MULO alleen nog een op het laatste nippertje en met tegenzin gekocht notenboekje waarmee ik niets wist te beginnen. Het is altijd leeg gebleven en met mijn herinneringen verwaaid in de wind. Kortom, een muzikale carrière zat er niet in. Toch zou ik niet zonder muziek kunnen.

Te veel om op te noemen. Vrolijke of treurige muziek: maakt niet veel uit. Als ik me rot voel, luister ik graag naar opgewekte liedjes. Die beuren me op. Of ik denk aan de woorden van Woody Guthrie, die zei, dat hij tot zijn laatste ademtocht zou vechten voor liedjes die je zelfvertrouwen en optimisme versterken. Hij sprak uit ervaring, want hij stierf heel langzaam aan een afgrijselijke spierziekte.

Het leven is als een oneindig muziekstuk: een door onverwachte en onvoorstelbare gebeurtenissen geweven geheel waarin de mens voor korte tijd zijn partijtje mee blaast. Wanklanken en valse noten horen daar net zo bij als mooie en ontroerende melodieën. De laatste overheersen.

 

Column: Credo


Credo

 

‘Ik geloof in een rivier
die stroomt van zee naar de bergen
ik vraag van poxebzie niet meer
dan die rivier in kaart te brengen’.

 

Het gedicht ‘Credo’ van Remco Campert begint met bovenstaand vers dat ‘godsonmogelijk’ ‘waar’ kan zijn. Nu is een credo een ‘belijdenis van diepe, innige overtuiging’ dus Campert heeft het niet voor de kat zijn poes verzonnen. En inderdaad, zoals elke kunstuiting is poxebzie niet ‘realistisch’: het beschrijft de wereld niet, maar schxe9pt er een. Het is niet ‘wetenschappelijk’: het volgt niet de regels van de natuurwetten niet maar ontregelt ze.

 

De poxebzie heeft geen boodschap aan ‘waar’ of ‘onwaar’. Hij toont een wereld die wij met onze ogen niet kunnen zien, met onze landmeterinstrumenten niet kunnen opmeten, laat staan met onze bureaucratische drilmethoden kunnen (mis)leiden. Dwars, tegen de rede in, slingert de dichter zijn verzen door de ruiten van de realiteit en laat de lezer met de brokken zitten. In de kampen waar de ‘overbodigen’ en lastposten zitten, laat hij vogels zingen. In de mijnschachten laat hij het zonlicht doorbreken, in de oorlog de vrede. Hij schenkt onderdrukten zijn nectar opdat zij volhouden en hun juk afwerpen. Hij kleurt de nacht, door de machthebbers als een verstikkende deken over de mensheid uitgespreid, met alle kleuren van de regenboog – als een belofte van waarachtigheid en gerechtigheid. Hij omarmt niet alleen het heelal in twee zinnen maar daalt ook af in het holst van molecuul en subatomaire deeltjes. Hij sloopt Romeinse, Chinese, Berlijnse en gevangenismuren alsof ze van luciferhoutjes zijn. Hij ‘septembert’ dwars door de torenhoge symbolen van Geld en Goud. Hij vertedert, prikkelt en ontregelt als hij zijn ros Pegasus de sporen geeft.xa0Poxebziexa0is mirakels lastig en ‘zou verboden moeten worden.’ Wat dan ook op gezette tijden gebeurt: dictators hebben gevoel voor humor noch voorxa0poxebzie. Pablo Neruda,xa0Bertoltxa0Brecht en Victor Jara kunnen er in des dichters hemel over meepraten…

 

Toch blijven dichters hun geloof in die tegennatuurlijke rivier verkondigen en daarmee de mens verwonderen. Want, om Campert nog maar eens te citeren: ‘Vogels vliegen toch’.

 

(c) Jan Bontje 2005

 

(Eerder geplaatst als column in Weekblad Spijkenisse, 23 augustus 2005)