Gedicht: Jan Zonder Hand


Jan zonder hand

er zit een ekster op mijn hand
de knuist is niet van mij maar
raakte van een verre voorzaat los
in een conflict dat allengs vergeten is

zo’n middeleeuwse knokpartij
vol maliënkolderiek geweld
ging toen natuurlijk om de macht
of eer lees naamsbekendheid dus pr

de hand werd opgezet tot kunst
en siert de hof van ons kasteel
ik stel hem op het voormalig slagveld op
als ijk- en rustpunt voor snoeshaan dode mus blinde vink

die pikken dan een graantje mee
van hoekse veten en kabeljauwse twist
vooral meeuwen mussen merels zijn voldaan
(zeggen jaloerse eksters mij)

ik strooi verstrooid wat brood of spelt
enkele kauwtjes komen er bekaaid op af
ze knokken met de eksterwacht
die naar zijn makkers schreeuwt om hulp

nadat de strijd gestreden is en al het eten op
verwijder ik de gouden klauw gauw uit mijn gouw
: nu zit een ekster op mijn hand
en die is wel van mij

Jan Bontje augustus 2013